31-12-14

Dat de politiek stinkt, wisten we al

Jan D. Swart is oud-journalist.

Laatst keek ik weer eens televisie en terwijl ik dacht en hoopte dat ze niet meer bestond, stond ik stijf van schrik weer oog in oog met die tuthola, die zich jarenlang vanuit de hoek van Groen Links overal mee bemoeide behalve met zwavel, stikstof, fijnstof, asfalt en kolencentrales. Een eng meisje vond ik Femke Halsema, altijd al; een authentieke zichzelf vierende politica die steevast heroïsch haar gelijk stond door te drammen en vond dat we allemaal onze laatste centjes moesten afstaan aan sociale duurzaamheid en culturele participatie. Ze vergat: verantwoordelijk burgerschap.

Ze schijnt, wat ik niet wist, vooral omdat ik ’t niet wilde weten, nu met tv en film te flikflooien, maar ik heb nooit, nooit, nooit gelezen dat ze dit gratis doet of dat ze haar honorarium afstaat aan Martin van Rijn, de staatssecretaris van Volksgezondheid, die in opdracht van de PvdA-dynastie het kwetsen van ouderen tot instrument van meeregeren heeft gemaakt. Waarschijnlijk is die Halsema geen haar beter dan die Paul Rosenmöller, die na het demoniseren van Pim Fortuyn met de staart tussen zijn benen de politiek uit vluchtte en vervolgens vanuit de staatsruif voor de IKON precies dezelfde landen bezocht als waar onze parlementariërs van tijd tot tijd mededogen gaan staan suggereren als de camera draait. Maar we zien niet (en weten wel) hoe ze zich daar vervolgens in zacht zoemende limousines met airco van party naar party laten vervoeren, schaapachtige kijkende obers hen buigend van een slok voorzien. Er zijn momenten waarop politici zelf om een pak ransel vragen.

Dat de politiek stinkt, wist ik al toen daarover in het Rotterdams Nieuwsblad, Rotterdams Dagblad en de Haagsche Courant wekelijks zelfs niet door een hoofdredacteur tot bedaren was te dwingen, maar het komt nu allemaal onder een vergrootglas. Eenmaal in de politiek, altijd gebeiteld. Tenzij je vermoord wordt en vergeten. Motherfucking, het gaat werkelijk helemaal mis met dit land, waarin ik het na veertien indicaties (een mensonterende meervoud van een falende overheid) zowaar voor elkaar heb dat ik mijn zwak dementerende vader mag opbergen op een gesloten afdeling van een bejaardenpaleis. Maar ik wil hem helemaal niet opbergen, want hij heeft een vrouw met wie hij al bijna driekwart eeuw getrouwd is en die in dat paleis zijn kamer wil delen. Maar dat kan niet. Pistool op mijn borst: nee. Samen in kamerbrede tevredenheid in één ouderwets Dreeshuis: nee.

‘Wat zei ze?’, vroeg mijn moeder, die doof is.
‘Ze zei’, antwoordde ik, ‘dat we nog even moeten doorsparen: twaalf indicaties erbij.’
Het ouderenbeleid in Nederland; het is één grote georganiseerde misdaad. Toen al, toen het meisje Halsema nog stond te zeikstralen over sociale duurzaamheid en culturele participatie en verantwoordelijk burgerschap vergat. 

Meer nieuws