24-04-15

De make-over moest modern, vonden de dissidente kooplui

Rotterdam viert dit jaar 75 jaar wederopbouw. Friends in Business staat in 2015 in elke uitgave stil bij deze mijlpaal in de recente stadshistorie. Elke editie gebeurt dit vanuit andere invalshoeken. In deel 1, terug naar de aanleiding van de wederopbouw: het bombardement en de oorlog.

Of het nu foute journalisten van NSB-geschriften waren of verslaggevers van klassieke dagbladen die met een aan God gevraagde vergiffenis hun weeksalaris veilig stelden met gemankeerde artikelen onder Duits toezicht, dan wel Frans Goedhart die tijdens de bezetting onder het pseudoniem Pieter ´t Hoen (later Het Parool) de eerste gestencilde verzetsnieuwsbrieven schreef, geen van allen hebben later kunnen ontkennen dat de bezetters zelf aan de basis hebben gestaan van de wederopbouw in Rotterdam, nu 75 jaar terug. Het begon met het verplicht ruimen, onmiddellijk na het bombardement.

De wederopbouw van deze stad is het verhaal van ruzies, missers en beleidssuccessen zonder inspraak met als resultaat: een wonderschone skyline maar een koude stad zonder een muzikant met een buikorgeltje.

97.000 kilo brisantbommen op Rotterdam leidt tot overgave

We spoelen terug naar maandag 13 mei 1940. Nederland is drie volle dagen in oorlog met nazi-Duitsland en de moffen rijden in voorpret rond in jeeps. Maar in het havenkwartier van Rotterdam is er ongenadig verzet in een onduidelijke getalsverhouding. Hoeveel Duitse militairen er de eerste dag waren geparachuteerd en hoeveel er daarna vanuit watervliegtuigen volgden, geen enkel historisch document synchroniseert later met het andere. Onbetwistbaar duidelijk is wel dat de kracht van het Hollandse gevechtsvolume gepositioneerd is op de rechter Maasoever en zich grofmazig heeft verdeeld tussen Overschie en de Boompjes. Soldaten vooral. De totaalschatting is zevenduizend. De mariniers zijn ver in de minderheid.

Het is Tweede Pinksterdag.

De straten op het Noordereiland en rond de Oranjeboomstraat op Zuid zijn de avond ervoor via een snelle overmeestering al om half negen per verordening afgezet en wie de moed heeft om er tien minuten later met zijn standaard grijze Fongersfiets doorheen te rijden, loopt risico.

Gerard Cox, die zijn hele verdere leven zou zeggen “het moet niet gekker worden” is dan tweeënhalve maand oud en ligt verderop in een wieg aan de Bree. De moeders van de latere Tour de France-winnaar Jan Janssen en cabaretier Hans Dorrestijn zijn hoogzwanger en in Engeland die van Tom Jones en Ringo Starr

Nogmaals die dag, 13 mei 1940. De Willemsbrug wordt aan de noordzijde nog steeds met man en macht door de mariniers verdedigd. Volgens de overleveringsverhalen zelfs met het mes tussen de tanden. Later zou hun dapperheid veelvuldig met legendarische bravo’s de geschiedenisboeken vullen. Maar zelfs daarover zijn de rollebollende historici het in relatie tot de meevechtende soldaten nooit helemaal eens geworden. Rotterdam was een garnizoensstad en hoewel het merendeel van de strijdkrachten non-combattant was, acht men in retrospectief de rol van de soldaat te veel ondergewaardeerd.

De bezetters staan zelf aan de basis van de wederopbouw, nu 75 jaar terug

Het Haagse dagblad Het Vaderland heeft die morgen samen met de NRC een noodeditie uitgebracht waarin nijd, weerstand en zelfs het laatste restje triomf om voorrang strijden. ‘Het vliegveld Waalhaven is door onze artillerie krachtig onder vuur genomen en heeft zijn betekenis voor den vijand verloren. De Duitschers die den eersten dag van den oorlog gedaald waren, worden verjaagd en vernietigd. En ook in het binnenland is het militair gezag den toestand volkomen meester.’

Het zijn de laatste optimistische en ongecensureerde berichten.

Op 14 mei, kort na het middaguur, in de chaos van ultimatums, overstekende Duitse onderhandelaars met witte vlaggen op de Willemsbrug en het wel of niet tijdig afvuren van rode lichtkogels, verandert de binnenstad van Rotterdam in opdracht van Hermann Wilhelm Göring in een kwartier tijd in één grote vuurzee en resteert er voor Henri Winkelman, de opperbevelhebber van het Nederlandse leger, niets anders dan op 15 mei in het schoolgebouw aan de Rijksstraatweg 101 in Rijsoord de overgave te tekenen. Hij arriveert per auto met een witte vlag.

Niet halfstok, want er volgen nog uren van twijfel. De generaal traineert de capitulatie omdat de Duitsers hem in dat miezerige schoollokaaltje geen telefonisch contact met mr. P.J. Oud, de burgermeester van Rotterdam, kunnen offreren. Oud, zo was de afspraak, zou voor alle zekerheid nog één keer de regering bellen. De tijd dringt. Veldmaarschalk George von Küchler zegt dat er vanuit Duitsland een tweede squadron onderweg is voor een verwoestende herhaling. Utrecht nu? Den Haag? Of wéér Rotterdam? Hij laat het in het midden.

Een uur later wint de les van de 97.000 kilo brisantbommen waarmee de binnenstad van Rotterdam door 54 Heinkels was plat gegooid. Het fundament voor een verdere strijd is weg. Na Polen is Nederland de tweede Duitse prijsduif – 15 mei 1940. Het is de dag waarop de gezaghebbende essayist en literatuurcriticus Menno ter Braak van het dagblad Het Vaderland zelfmoord pleegt.

Met uitzondering van het stadhuis, het postkantoor en het beursgebouw, die slechts bescheiden door een paar treffers zijn geraakt, is het hart van de stad één narokend silhouet van oude architectuur met aan de Wilhelminakade het skelet van het stoomschip Statendam. Vanaf het dak van het ongeschonden Witte Huis oogt Rotterdam apocalyptisch. Nooit heeft men het juiste aantal doden van die dagen kunnen rubriceren. De info houdt bij “circa negenhonderd” op.

Er zullen later miljoenen zinnen in tijdschriften en boeken volgen over de zwartste dagen uit de geschiedenis en wie googelt kan jaren vooruit. Vreemd genoeg mankeren de tijdsbepalende documenten van Lou de Jong en Loek Elfferich in sluitende connecties. Het boek van Hans van der Pauw boeit in dat opzicht geschiedkundig meer, maar dat van Aad Wagenaar met de ooggetuigenverhalen blijft de triomfant.

De wederopbouw van Rotterdam begint met het dichttimmeren van de winkelramen net buiten het brandgebied, omdat er massaal geplunderd is. Het verplaatsen van het puin naar de kant van de weg is fase twee. Wie van de steun trekt, moet zich melden. ‘Het stond op de voorpagina van Het Rotterdamsch Nieuwsblad (RN, red.) en wie weigerde, kon per direct naar z’n uitkering fluiten.’ Oud-bokspromotor Aad Veerman toont de vergeelde krant die zijn famlie bewaarde, 17 mei 1940. Het RN, zelf getroffen, staat dan al leesbaar onder Duitse curatele.

‘Alle werkloozen, en in den eerste plaats zij, die ondersteuning genieten, worden aangewezen zich te melden aan den politiebureaux om deel te nemen aan de opruimingswerkzaamheden. Het niet aanwezig zijn heeft stopzetting van de ondersteuning tot gevolg. Werkmateriaal (schoppen, spaden, harken, bezems, enz.) moeten zoo mogelijk worden meegebracht. Ook het brood- en stempelboekje.’

De Banier, het staatskundig gereformeerde dagblad, voegt er in zijn editie zelfs de honorering aan toe: een rijksdaalder per dag, drie gulden voor wie kostwinnaar is en vier gulden voor de ploegleiders.

Er staat op de voorpagina van het RN (17 mei) trouwens nog een artikel dat het beeld weergeeft van die eerste oorlogsdagen in een verduisterde stad. ‘Alle burgers en soldaten, die nog in het bezit zijn van wapens, moeten deze bij de Politie inleveren. Onmiddellijk ingaande is alle autoverkeer verboden, terwijl het overige verkeer tot het uiterste moet worden beperkt. Het doelloos rondloopen en staan op straten en pleinen is verboden.’

In no time heeft de bezetter dus de wind eronder. Het dagblad Het Volk met de nationaalsocialist Meinoud Rost van Tonningen als toezichthouder moet op 21 mei al verplicht publiceren dat de gebombardeerde ouwe binnenstad “uit oogpunt van goed afgewogen stedebouw, in menig opzicht, toch al veel te wensen overliet en weinig schoons te aanschouwen gaf”.

Het is een vernederend hoofdredactioneel artikel, dat met het geweer in de rug geschreven wordt als een opwekkende boodschap naar een nieuw tijdperk. ‘Het zou prachtig zijn – en de kansen dat het zo zal gebeuren schijnen gunstig – indien de herbouw van het binnenste der Rottestad nu in grootscheepse stijl en welgeordend verband zal geschieden. Bekwame en dwingende handen zullen het geheel moeten leiden, wil een harmonische vormgeving van het nieuwe hart van Rotterdam verwerkelijkt worden.’

‘Je zou toch denken dat de mensen die dit moesten lezen onmiddellijk die krant de deur uit zouden flikkeren’, vertelt later de journalist Theo M. Eerdmans. ‘Maar daar zat nou juist de smerigheid van die schurken. Want alleen in de gecensureerde dagbladen stonden de bonnummers van het distributiesysteem en die hadden alle moeders hard nodig om in de winkels groenten, vlees en kleding te kunnen kopen. Zelfs als je de Duitse propaganda niet wilde lezen kon je als burger in de zomermaanden van 1940 niet om die lokale nieuwsvoorziening heen.’ Hij noemt een tweede voorbeeld.

‘Het heeft nooit zoveel aandacht gekregen, maar er was ´s avonds op 14 mei en de dag erop overal gejat. Net buiten de brandgrens waren de winkeliers op de vlucht geslagen. De daders werden later keurig berecht, maar het verloop daarvan was alleen in de krant te lezen. Wie kleding zocht of voor een kostwinnaarsvergoeding in aanmerking wilde komen, moest de krant kopen. Zelfs de hele voedselvoorziening stond erin. Overal werden kantoortjes van het Maatschappelijk Hulpbetoon ingericht en ook subkantoortjes. Dat hadden ze als eerste snel voor elkaar, verplicht lezen. Ik was zeventien jaar toen’, aldus Eerdmans, die later in 1944 aan de razzia in Rotterdam-West weet te ontkomen en daarover een essay schrijft, kort voordat hij als quizmaster van de VARA op televisie een van de eerste bekende Nederlanders wordt.

‘Het wereldnieuws wat er in den dagbladen staat is bagger’, schrijft Koos de Wit, destijds planner bij het Gemeentelijk Energie Bedrijf (GEB), met de toevoeging dat hij zijn familie heeft verboden het te lezen: ‘Ten huize hier geen hersenspoeling.’ Hij houdt een dagboek bij.

Tien zinnen verder wordt hij (in 1940, 38 jaar) specifieker. ‘Gisteren, 17 juni, werkbezoek gebracht aan het Energiebedrijf in Leiden. Den baas heeft eenen autovergunning. We hebben bij eenen kiosk het Leidsch Dagblad gepikt. Er stond eenen propagandavraaggesprek in van eenen Amerikaanse journalist met Adolf Hitler. Ik heb enen kolossaal gevoel van getver.’

De invloedrijke industrieën opteren voor een strakkere röntgenfoto van de nieuwe stad

Die autovergunning van zijn GEB-baas (ir. Römer) blijkt hem al eerder dwars te zitten. De Wit woont in de Tollensstraat in Rotterdam-Noord, heeft een motor, maar moet fietsen. ‘Vandaag, 20 mei, op bureau eenen schrijven gekregen van het departement van Handel, Nijverheid en Verkeer. Er mag geen benzine en motorbenzol meer aan ons worden geleverd. Mijn motor kan den garage in. En toch is bij alles wat ik moet doen zooveel haast vereist.’

De Wit begeleidt als uitvoerder de stroomvoorziening in de hulpziekenhuizen. ‘Ik kom alleen maar motoren en auto’s tegen van militaire attachés en Duitse consulata en gezanten. Alsof snelle stroomvoorziening in ziekenhuizen niet telt.’

‘De restauratie van de stad is bij het GEB begonnen. Alle gebouwen van het Gemeentelijk Energie Bedrijf waren onbeschadigd’, wist Theo Eerdmans zich te herinneren. ‘In drie dagen tijd had de industrie weer stroom. Ook negentig procent van de huizen buiten het brandgebied. Maar daar mocht het alleen onzichtbaar branden. Lichtdicht heette dat. Gordijnen gesloten en goed gesloten, want er werd ’s avonds gecontroleerd en er hoefde maar iemand een overtreding te maken of een hele wijk werd vierentwintig uur van de stroom afgesloten. Zelfs in het centrale depot van de voedselvoorziening, aan de Van Lennepstraat in Spangen, waar ik in de buurt woonde, ging het licht uit. Represailles. De terreur was groot. Bek houden.’

Ondertussen volgt Het Rotterdamsch Nieuwsblad de binnenstedelijke herstelprogressie. De directeur van de GG & GD laat op 18 mei weten dat de kwaliteit van het drinkwater goed is. Wel is er schaarste. In Blijdorp, Bergpolder en in het Oude Noorden moeten de benedenburen de bovenburen te hulp schieten. Ook rijden er Haagse tankwagens rond met water in melkbussen en wie in ruil voor een zooi bonnen melk heeft gekocht, moet dat koken. Er dreigt tyfus.

Maar op 28 mei is lijn 10 de eerste tram die weer van Hilllegersberg over de Coolsingel in de richting van de Westzeedijk naar Spangen rijdt, maar wel met gesloten deuren. 

‘Er is behoorlijk veel verschil tussen den rest van het land en Rotterdam bij dezen eerste verwerking. Want ofschoon we overal weten dat we geen donder meer te vertellen hebben is dezen laatste gedachte bij ons ondergeschikt aan zooveel andere kopzorgen. Men heeft het over 1000 doden, God weet hoeveel gewonden, ik lees over 80.000 daklozen’, schrijft Koos de Wit aan zichzelf op 25 mei met als postscriptum: ‘Naar den hospitaalschepen geweest aan de Parkhaven. Er is enen volledige chirurgie-afdeling met de eenigen artsen die het bombardement op het Coolsingel-ziekenhuis hebben overleefd. Enen bizarre ervaring. Daarna naar gebouw Ons Huis gereden in de Gouvernestraat, 150 noodbedden en ook nog naar den Vredeskerk bij het Stadion. Alles op den fiets. Pas ’s avonds half elf thuis. Twee keer door een snotneus van pakweg 20 jaar naar mijn rijwielvergunning gevraagd.’

Het opruimingswerk in het brandgebied wordt in die dagen gecoördineerd door de Gemeentelijke Technischen Dienst. Directeur is ingenieur Willem Gerrit Witteveen, een oud-student Civiele Techniek aan de TH in Delft, maar in 1940 een ambtelijk routinier: ontwerper van het Maas Station, vormer van de Dienst Stadsontwikkeling en inrichter van het fameuze 46 hectare grote land van Hoboken waar hij voor de oorlog het Museum Boijmans, het GEB-gebouw en de residentie van Unilever heeft laten verrijzen.

Op 20 mei 1940 krijgt hij van college van B&W van Rotterdam de opdracht een plan te onderwerpen voor een nieuwe stad en nog geen vijf dagen later worden de eerste macrocontouren van zijn denkmaquette al globaal gepubliceerd. Het RN besteedt er zijn complete voorpagina aan en zelfs de lezers van de landelijke couranten komen te weten hoe de nieuwe rooilijnen in de Rotterdamse binnenstad zullen gaan lopen, maar óók hoe Witteveen denkt zijn kans schoon te zien om het verkeer van west naar oost en andersom eindelijk eens op bijna aerodynamische wijze door de stad te loodsen. Het idee van een nieuw, vooral open Hofplein als brede verkeersader waarover Koos Postema later altijd zou zeggen “daar waait het zelf nog bij windstilte”, is in een vloek en een zucht door de Deventenaar Witteveen uitgedacht.

De voortzetting en verfijning van de wederopbouw verloopt in latere jaren vrij emotieloos

Maar het is vooralsnog de enige snelle vondst die genade vindt in de ogen van de Alkmaarder dr.ir. Johan Ringers, de regeringscommissaris voor de Wederopbouw, die vanuit Den Haag over de schouders van Witteveen heeft meegekeken. Er is kritiek. De felste tegenstanders zijn invloedrijke industriëlen, die hun kantoren aan de oever van de Maas in rook hebben zien opgaan. Zij opteren voor een strakkere röntgenfoto van de nieuwe stad. Geen Middelburgsche geveltjes langs het Haringvliet. Het is een beroemd geworden protestpetitie die Cees van der Leeuw, de directeur van de koffiefabrikant van Nelle, in zijn theehuis aan Ringers ter hand stelt en waarmee ook Guus Plate (Scheepvaart Vereniging Zuid) en zijn neef Karel Paul van der Mandele (Rotterdamsche Bank) flyeren.

Drie golden boys. Wel dissidenten.

Terwijl Witteveen zich daarna jarenlang een ongeluk tekent aan een nieuwe stad waarin hij de herkenning van vroeger wil mixen met een fractie meer ruimte gaat in 1944 alles weer de prullenbak in. De machtselite heeft gewonnen.

De kranten in 1944 melden in dit verband nog enkele opmerkelijke trivia. De gedesillusioneerde Witteveen, ex-doctor honoris causa aan de TH in Delft en Danzig, wordt door de Duitsers geïnterneerd en Van der Leeuw, die kort voor de oorlog gepromoveerd is tot doctor in de psychiatrie en vanaf die tijd medewerker is in Maasoord (wat voor Rotterdammers “het gekkenhuis” is), wordt zelf de tijdelijk opvolger van Witteveen en introduceert Cornelis van Traa, een modernist.

Er refereren trouwens meer krantenartikelen in de oorlogsjaren aan de kennelijk heersende opinie bij de bank- en havenjongens, dat de ouwe stad langzamerhand toch toe was aan een progressieve make-over. Zelfs het woord “mooier” valt. ‘Bommen zijn eigenlijk de beste vrienden van de planologen. Zodra de sirenes ophouden verschijnen ze als gieren boven de vlaktes’, zegt historicus Hans van der Pauw.

Toch gaat die vlieger in Rotterdam niet helemaal op. Want wie nog eens grondig bladert in het zwartwitte beeldarchief van het tijdperk van vóór het bombardement komt tot de ontdekking dat ook de vroegere stadsbesturen geregeld geboden mogelijkheden hebben aangegrepen om de verkrotting van de binnenstad tegen te gaan. Tientallen oude sierlijke bruggetjes waren al gesloopt en watertjes gedempt voordat het noodlot op 14 mei 1940 toesloeg. Om de Coolsingel terug te zien als Coolvest met een molen en een vischmarkt precies op de plaats waar in 1917 het huidige stadhuis werd gebouwd, men mocht bijna willen dat het nog zo was.

In het dagboek van Koos de Wit staat een nijdige verklarende passage die hij optekent wanneer hij op 17 mei 1940 geraadpleegd wordt bij het tekentafeloverleg voor een uitbreiding van de nieuwe beurs aan de Coolsingel met één verdieping en vijftig kantoren erbij. ‘Vernomen’, schrijft hij, ‘dat met het puin zelfs nu den volleedige Schiekade zal worden gedempt. Het moet eenen nieuwe rechtstreekse route worden naar den binnenstad en den beurs. Ze spraken voortdurend over eindelijk. Eenen blijheid over eenen modernen stad. Maar om mij heen hoorde ik louter dialect.’

Een paar maanden later is het zover.

Eerst lag de Schie in Rotterdam, thans ligt Rotterdam in de Schie.

Witteveen is een adept van burgemeester Pieter J. Oud, geschiedschrijver. Niet conservatief gruwelen ze samen wel van een nieuwe kantorenstad met lompe baksteenblokken. Ze willen ruimere woningen (plus lavet), maar ze moeten architectonisch wel op de oude lijken. Kantoren en depots ook. Het volume mag hoger, maar er is in hun ogen wel een grens. De fabriek van Van Nelle vinden ze grappig afwijkend en een schoolvoorbeeld van het Nieuwe Bouwen, maar zonder te zeggen zijn ze blij dat die solo in de polder staat.

Hoe houden ze de snelle andersdenkende kooplui koest?

Ineens, eureka.

Witteveen tekent in de villa van reder Goudriaan aan de ’s Gravenweg de pracht en praal van de nieuwe mobiliteit om de golden boys te paaien. De Schie dicht, de Coolsingel breder, een weids Hofplein, voilà, met een halsoverkop al in het najaar van 1940 wereldkundig gemaakte nieuwe route naar de haven moet de wens van de zakenadel zijn gecoiffeerd. Met andere woorden, op z’n Rotterdams, daarna niet meer zeiken.

Forget it.

De kritiek houdt aan. Bovendien komt Witteveen ook nog alleen te staan als burgemeester Oud in oktober 1941 door de NSB‘er Gerrit van Burink wordt gekneveld, daarmee in de ogen van Seyss-Inquart voor schut is gezet en vervolgens door de Duits gezinde Frits

Müller wordt vervangen. En misschien is voor de directeur van de Technischen Dienst nog wel het vervelendste dat hij aanvankelijk niet eens weet met hoeveel tegenstanders hij nu precies te maken heeft en wat ze in dat theehuis bij Van Nelle in hun schild voeren.

De framing van de dissidenten is min of meer de Manhattan-variant. Meer nijverheid, minder huizen en vooral geen gevelwoningen. En de lucht in. Uiteindelijk wordt het – nog voor het einde van de oorlog – het einde van Witteveen en mag zijn naar voren gemanoeuvreerde opvolger Cornelis van Traa de basis leggen voor een stadsopbouw waarop na de bevrijding de ster-architecten – veelal niet Rotterdammers – mogen pitchen.

‘Rotterdam is gebouwd door buitenboordroobots’, zou commissaris van politie Wim Lagendaal een keer zeggen.

Ook de voortzetting en verfijning van de wederopbouw in de latere jaren gaat vrij emotieloos door onder regie van het Ontwikkelings Bedrijf Rotterdam (OBR), waar zwaar afgestudeerde jonge ambtenaren uit Katwijk, Leimuiden en Otterlo vanuit hun ramen uitkijken op de Mathenesserweg maar nog nooit van Kitje Kool, de daar in de buurt geboren en later genoemde Prins van Lignac en het vergeten bombardement hebben gehoord. Met als uiteindelijk gevolg een stad met internationale allure en een geslaagde skyline, maar die van binnen schaterlachend kil, koud en ongezellig is en waar je in elk geval anno 2015 nog niet dood gevonden wilt worden.

In lotsverbondenheid resteert voor de laatste vooroorlogse Rotterdammers en de babyboomers nu nog slechts de hoop op transitieprofessor Jan Rotmans, die als dwarsdenker en friskijker zijn eigen geboortestad een duurzaam watergebied gunt in plaats van die eeuwige funderingspalen. Hij wil ook vooruit, maar wel naar het verleden.

‘Oh ja, bijna vergeten, we hebben geen eenen moer meer te vertellen.’ Het is een zin die Koos de Wit in de eerste jaren van de oorlog voortdurend in zijn aantekeningen herhaalt. Ondanks alle zinderende plannen die binnen een maand na de hartexplosie de wederopbouw van Rotterdam ruggensteunen, en soms zelfs souteneren, de moffen zijn de baas. Men zou het bijna vergeten zijn. In Hoek van Holland mag vanaf 28 mei 1940 niet meer worden gefotografeerd, zelfs niet worden getekend en in Rotterdam mag niemand meer na tien uur ’s avonds op straat.

Faas Wilkes, de grootste voetballer die Rotterdam heeft voortgebracht, is in mei 1940 zestien jaar en heeft zich altijd exact weten te herinneren dat zijn vader op de avond na de capitulatie vanaf zijn huis aan de Soetendaalseweg een laat bezoek brengt aan zijn zus in de Hoyledestraat, tweehonderd meter verderop. ‘En toen al, die avond, nog geen week na het begin van de oorlog, stonden er twee van die smiechten met hun geweer over hun schouders op de hoek bij de Bergweg, recht tegenover de ingang van het ziekenhuis. Ik hoor mijn vader nog zeggen toen hij thuis kwam, ze riepen alleen maar: schnell, schnell. Hij moest sprinten en hij deed ‘t. Je scheet in je broek.’

9 juni 1940 (Koos de Wit): ‘M’n shag was op. 23.00 uur. Even naar Arie gelopen. Woont boven de lorrenboer, op de hoek van de Woelwijkstraat. Enen sprint over 150 meter. Weer een mof. Godverdomme, stijf van den zenuwen.’

Het scheldwoord mof is snel ingevoerd in Nederland en zal tot ver in de jaren zestig als solidaire aanklacht gelden. ‘Het is nu wat weggeëbd, maar toen ik kind was sprak niemand over Duitsers. In moffen zat precies de zwaarte van de schurft die je aan ze had’, legde voetbalanalist Johan Derksen recent nog uit tijdens een uitzending van RTL7. ‘Het was een automatisme.’ Nacheck leert trouwens dat ook Koningin Wilhelmina voor radio Oranje de vijand op die manier betitelt en dat het scheldwoord is afgeleid van Muff – waarmee de Duitsers in de zeventiende eeuw de streek benoemden waar de Oost-Friezen en Eemslanders woonden. In en na de oorlog werd Duitsland zodoende Mofrika genoemd.

Op het stadhuis in Rotterdam ronken intussen de tekentafels. Er moeten huizen komen. Burgemeester P.J. Oud heeft ze geteld: 25.667. Maar waar? En hoe snel? Het compromis wordt noodwoningen, vooral voor de minderbedeelden die “sociaal dreigen ten onder te gaan in ongewenschte toestanden”.

Het eerste voortvarende resultaat wordt in september 1940 zichtbaar aan de Noorderkanaalweg, niet ver vanwaar het jonge voetbaltalent Faas Wilkes woont: 188 houten barakken, die vier jaar later tijdens de ijskoude winter (‘44-‘45) weer volledig in de kachels verdwijnen. Het wordt het Drentse dorp genoemd. Kort daarna volgen het Utrechtse, Gelderse en Brabantse dorp, met tenslotte Smeetsland in IJsselmonde als grootste. Alles is nood in Rotterdam. Noodcafés, noodstations, noodkantoren en noodgaarkeukens. De woningnood in Rotterdam zal trouwens tot ver in de jaren zestig voortduren.

'De stad is drie keer gebombardeerd: door fascisme, modernisme en stadsvernieuwing'

Wel zijn er in juni 1940 drie Rotterdamse bouwpatroonsbonden die een duurzamer planprimeur presenteren. Ze richten binnen een maand na de ramp enen Naamlooze Vennootschap op, met een kapitaal van vier miljoen gulden, waarvan een tiende wordt gestort met als bouwtarget: Oud-Mathenesse, De Put. Het is op de grens met Schiedam, kort achter het Witte Dorp voor bewoners die net iets hoger in aanzien staan dan de ongeschoolde arbeiders in de nooddorpen: onderwijzers, ambachtslieden, adjunct-commiezen en klerken der ambtenarij en werknemers van de scheepswerven in Schiedam.

Later wonen daar ook semi-profvoetballers wanneer Feyenoord in zijn rijke vijftigerjaren aan de Hogebanweg aan het investeren slaat. Cor van der Gijp, Riny van Woerden, Pauke Meijers en Aad Bak worden er zodoende buren. Maar ook musici vinden er een second roots zoals Paay senior. Als stoere bouwvakkers op hun vingers fluiten, loopt Patricia Paay er in 1964 op hoge hakjes met open hiel een extra rondje.

Terwijl in Amsterdam de eerste Joden al niet meer mogen deelnemen aan de luchtbescherming en de Oostenrijke jurist en nazi-politicus Arthur Seyss-Inquart, als rijkcommissaris für die Niederlande, twee maanden later het aanstellen en bevorderen van Joodse ambtenaren verbiedt tot hij ze in november 1940 zelfs allemaal laat ontslaan, ontwikkelt en faciliteert het stadhuis in Rotterdam met een monstrueuze snelheid uitsluitend plannen. Men restaureert en bouwt. Museum Boijmans wordt heropend. De spoorwegverbinding dwars door de stad gefacelift. De PTT start de bouw van zijn noodkantoor naast station D.P. en als het Atlanta Hotel op 20 juni aan de zwaar getroffen Coolsingel de deuren van zijn restaurant weer openzwaait, is ook de schippersbeurs aan de overkant weer in bedrijf genomen. Het wordt in Atlanta gevierd als een reünie, te midden van koren-, vlas en lijnzaadhandelaren en een aantal meeproostende voetballers: de internationals Wim Lagendaal (Xerxes), hoog ingeschaald bij de lokale politie, Henk van Spaandonck (Neptunus) en Leen Vente (Feyenoord), wiens eigen café in de binnenstad ook is verwoest.

Dirk Reese was de man van Atlanta. Een gewaardeerd leverancier van vooroorlogs vertier met dancing Pschorr aan de Coolvest als kroonlocatie. Pschorr (waar nu ongeveer die foeilelijke flat staat op de hoek van de Coolsingel en het Hofplein) viel ten prooi aan de bommen, maar het hoog boven alle andere gebouwen uittorende Atlanta (met daktuin) bleef wonder boven wonder gespaard. ‘Dat moest gevierd worden en Reese deed dat zonder één Duitser. Hij had tegen de portier gezegd: als er zich eentje meldt, zeg je maar: kein Tanz, kein Mädel. Dan gaan ze vanzelf pleite’, vertelde hij ooit Charles le Noble, oud-middenvoor van Neptunus (1927-1938). Twee dagen na de heropening van Atlanta rijden ook de eerste trams weer over de Willemsbrug. Het is dan 22 juni 1940. De wederopbouw van Rotterdam vlot in moordend tempo.

‘Maar er is te veel afgebroken’, vindt de jonge kunstenaar Gyz la Riviere. ‘De stad is in wezen drie keer gebombardeerd. Eerst door het fascisme. De tweede keer door het modernisme en tenslotte door de stadsvernieuwing.’

Hij zit er niet ver naast.

Als we in de historische nalatenschap één gebouw checken (Pschorr) blijkt dat het op dezelfde zorgvuldige wijze had kunnen worden gerestaureerd als de Sint-Laurenskerk. Honderd keer makkelijk

Meer nieuws