17-06-16

Verdwenen kranten: Het Rotterdams Parool

Dit jaar brengen we de verdwenen Rotterdamse kranten in herinnering, in elke editie van Friends in Business één verhaal. Deze keer: Het Rotterdams Parool.

Als Het Rotterdams Parool op 30 september 1971 voor ’t laatst verschijnt en een handjevol redacteuren en administrateurs de deur sluit van het winkelpand aan de Westblaak, naast de oude muziekwinkel van Hakkert, heeft het dagblad de leeftijd bereikt van slechts 26 jaar. Bij de euthanasie blijven er 20.000 abonnees over, waarvan altijd is aangenomen dat de helft de krant las vanwege de dagkronkels van Simon Carmiggelt.

Inpikken

Het Vrije Volk pikt het merendeel van de laatste lezers handenwrijvend in. Om te wennen krijgen ze de rode krant al vanaf 15 september op proef erbij. Het is een part of the deal, die Sijthoff (uitgever van Het Rotterdamsch Nieuwsblad) bij het monsterverbond tussen Het Vrije Volk, Het Parool en het AD is mis gelopen. Het Vrije Volk, dat anderhalf eerder zijn basisbolwerk in Amsterdam heeft moeten sluiten, staakt nu ook zijn landelijke bezorging en heeft 35.000 in de kou gelaten Arbeiderspersleden in de aanbieding voor het AD, Het Parool en De Volkskrant. Het vraagt er de 20.000 van Het Rotterdams Parool voor terug om exclusief te kunnen werven.

Op de ochtend die volgt op de avond waarin de laatste krant van Het Rotterdams Parool is bezorgd, draait de acquisitie van Het Vrije Volk nog steeds op volle toeren. Thuis bij de ontheemde redacteur Kees Weeda gaat de telefoon. ‘Goedemorgen meneer, ik wilde u iets vragen?’ De slaapkamerwekker geeft half negen aan. Weeda denkt zich te hebben verslapen. ‘U heeft vast wel gelezen’, vervolgt een geduldige vrouwenstem, ‘dat het Rotterdams Parool is opgeheven en u was jarenlang abonnee. Nu heb ik Het Vrije Volk voor u in de aanbieding.’

Het is laat geworden de avond tevoren. De dood van Het Rotterdams Parool is door de laatste der Mohikanen weggedronken in café De Twijfelaar. Kees Weeda denkt aan een grap en flikkert de haak erop. ‘Ik krijg je nog wel, Verschoor, dacht ik toen’, schrijft hij 33 jaar later in een door de laatste redacteuren samengesteld Liber Amicorum. Gerard Verschoor was de laatste directeur. ‘Hij had’, aldus Weeda, ‘alle Parool-adressen persoonlijk aan het HVV verkwanseld.’

Jan van Beveren

In bedrukte stemming zoemt in het najaar van 1971 óók het gerucht dat het commerciële bedrijf van Sijthoff in zijn laatste poging om toch nog een paar honderd Rotterdamse abonnees aan zich te binden, de bezorgers van Het Rotterdams Parool en De Schiedammer heeft omgekocht om hun abonnementenboekjes te mogen inzien. Het Vrije Volk noemt het niet eens een gerucht en plaatst het bericht als waarheid. Maar het is nooit bewezen.

Wel heeft Het Rotterdamsch Nieuwsblad sinds het begin van de krantenmalheur in Nederland als enige het volume van zijn redactie aanzienlijk versterkt. In plaats van te bezuinigen kiest Sijthoff in Rotterdam voor de aanval. Het parachuteert zijn journalistenmakelaar Daan Sprong naar de Rotterdamse redactiekroegen (Timmer en Pardoel) en in no time is het transfertijd. De sportredactie van het RN wordt daarna zelfs bijna verdubbeld en zelfs Sparta-doelman Jan van Beveren gaat schrijven.

Sores in krantenland

Overal elders is er sores in krantenland. De Perscombinatie (uitgever van Het Parool en De Volkskrant) heeft in 1970 een verlies geleden van 2,38 miljoen gulden. Het dagblad De Tijd is op sterven na dood, Trouw is zwaar aan de verliezende hand en ook De Rotterdammer ligt aan de geeuwhonger. Maar als de exercitie achter de rug is en Het Rotterdams Parool is gesmoord, blijken 14.000 lezers voor het HVV en 4000 voor een postabonnement op Het Parool te hebben gekozen. Waar het restant naar toe is gegaan weet niemand; waarschijnlijk versplinterd over het AD en het RN.

Het jonge Rotterdams Parool is tot aan zijn sterfbed een editie van Het (grote) Parool in Amsterdam. Zogezegd een bijwijf. Zelf heeft het HRP ook een kleintje: het dagblad De Schiedammer. In de jeneverstad zit één vaste redacteur plus een leerling. Ze schrijven per dag één pagina vol. In de editie Vlaardingen doet redacteur Jan Vroegindeweij dit zelfs solo. Beide satellietsteden krijgen verder per dag één paginaatje Rotterdams nieuws en de rest van de kopij is landelijk, met een behoorlijke vleug Amsterdam.

Prominente plek

Soms irriteert die vleug. ‘Dat een Rotterdamse editie gemaakt werd op basis van een hoofdkrant uit de rivaliserende hoofdstad was een krankzinnige constructie’, schreef transmissie-redacteur Nico van der Maat in 2004. ‘Berichten van de onbelangrijke haven in Amsterdam kregen een veel prominentere plek in de krant dan het nieuws uit de grootste haven ter wereld.’

Niemand in Amsterdam die het opviel. Niemand in Amsterdam die het ook interesseerde. En niemand in Rotterdam die er openlijk tegen protesteerde. Het Rotterdams Parool was en bleef een bijwijf. Als de autoritaire hoofdredacteur van Het Parool (Herman Sandberg) eens in de zoveel maanden naar Rotterdam kwam, las hij de jonge redactie voornamelijk de les. ‘Bovendien in doodse stilte’, vertelt de nu 84-jarige Jan Maneij (voorheen Vroegindeweij). ‘En met een nerveuze redactiechef naast hem. Die haalde elke dag vis op het moment dat er een ploegje zat te klaverjassen. Maar als Sandberg kwam mocht er geen vislucht geroken worden en moesten de speelkaarten in de la.’

Vis halen

De stadseditie van Het Rotterdams Parool zit in vergelijking met Schiedam en Vlaardingen qua redactionele bezetting aanmerkelijk ruimer in zijn vel. Het volume schommelt in de jaren zestig rond de twintig man. Chef is Frans van Nieuwenhuijze, een oud militair. Zijn glazenkooi in de hoek van het redactielokaal werd de soldatenkamer genoemd. ’Eén keer per ochtend kwam Frans naar buiten, haalde z’n broek op tot ver over zijn navel en riep: bliksemen. Dan moest er vergaderd worden’, weet Jan Maneij. ‘Op zijn bureau lagen dan uitgeknipte knipsels uit andere kranten. Maar óók een briefje waarop de lunch besteld kon worden. En die moest uit vis bestaan. Van Nieuwenhuijze ging die zelf halen bij De Vries op de Oude Binnenweg.'

'Jarenlang vonden we dat een humanitaire weldaad. We hoefde alleen maar te betalen. Hij deed de boodschap. Totdat bleek dat De Vries een zegeltjessysteem had en de chef dus gratis blikjes zalm kreeg. Eén keer is ie in paniek geraakt. Toen had hij thuis een verjaardag en kwam hij tien zegeltjes te kort. Toen vroeg hij zelfs Dick van den Polder om vis te eten.’

Primeur

Er is in de ochtenduren op de redactie van het HRP een wonderlijke transmissie tussen Rotterdam en Amsterdam. Urenlang rinkelt er een ouderwetse veldtelefoon uit het leger. Er zijn er twee die eraan slingeren. In Rotterdam Karel Koolhoven, en in de Wibautstraat in Mokum Nico van der Maat. De laatste is een Amsterdammer. Bovendien een humorist.

‘Als sportredacteur Dick van den Polder tien minuten voordat de krant ging zakken nog een belangrijk Feyenoord-bericht wilde meenemen’, vertelt Jan Maneij, ‘en Agnes van Gool als telexiste dit met een enorme snelheid had ingetikt, vroeg Dick nerveus via de veldtelefoon aan Nico of zijn primeur was aangekomen. Maar dan zei Nico niet: “k heb het al naar de zetterij gestuurd en het komt zelfs op de voorpagina”, nee, dan zei hij: “Hé Dick, gezellig, jouw een keertje aan de lijn.” En gelijk daarachter aan: “Voetbal jij zelf nog?” en voordat Van den Polder dan iets kon terug zeggen, begon Nico te vragen hoe het met mij was en met chef Frans Nieuwenhuijze. En dan zag ik, op twee meter van die veldtelefoon, Van den Polder helemaal rood aanlopen van de zenuwen, want die dacht: Daar gaat mijn primeur.’

Wereldberoemd in Rotterdam

‘Dick van den Polder was wereldberoemd in Rotterdam’, aldus Jan Maneij. ‘Hij was twee even beroemde sportjournalisten opgevolgd. Eerst Rien Bal. Daarna Piet Heijster. Dick was zó serieus dat hij mij een keer een maand lang niet heeft aangekeken. Dat kwam omdat ik een foto van een wedstrijd van Fortuna Vlaardingen van een verkeerd onderschrift had voorzien. Het was een foto van een veldruzie, maar ik kende die spelers niet. Toen schreef ik: “Heren, heren, er is al genoeg ellende op deze wereld.” Dat vond Dick een journalistieke blamage, terwijl ik toch zo mijn best had gedaan. Nico van der Maat heeft zich er toen nog sterk voor gemaakt dat ik er de Pulitzerprijs mee zou winnen. Ook als bewijs dat onze kleine redactie boordevol humor en talent zat.’

Jan Maneij somt op: ‘Theo de Jong werd door Panorama gekocht voor een zak gouden dukaten. Hans Baaij stond aan de wieg van de Nederlandse seksuele hervorming, de NVSH. De telexiste Agnes van Gool trouwde de Sparta-voetballer Piet de Groot. Geert-Jan Laan werd later hoofdredacteur van Het Vrije Volk en het Nieuwsblad van het Noorden. Wim Ammerlaan van het AD. Kees Weeda kwam hoog in de boom te zitten bij de overheid. Iedereen is na de ravage in 1971 goed terecht gekomen en ik werd voorlichter van de gemeente Vlaardingen.’

In 1971 zijn er aan de Westblaak overigens nog maar tien redacteuren over. Er zijn in de krantenwereld verpletterende klappen gevallen.

Voorpagina

Van alle Rotterdamse kranten is Het Rotterdams Parool vanaf de bevrijdingsjaren een kleine jongen, maar wel een chique. Er hoeven per dag maar twee pagina’s te worden vol geschreven. Verder mag er naar believen op de voorpagina worden ingebroken en het HRP heeft op een landelijke plek een eigen stadsdagboek. Elke morgen jast de zetter het dagboek van de bekende Amsterdammer Henri Knap uit het lood en plaatst die uit Rotterdam ervoor terug.

Met een keur aan journalisten ziet men vanaf de Westblaak op die manier kans om exclusief te filteren. De krant heeft zelfs een eigen biljartverslaggever. Hij komt ’s nachts na sluitingstijd van de cafés naar de redactie en verlaat het pand gelijk met de koerier, die de enveloppe met kopij elke morgen om half vijf naar Amsterdam rijdt. Elke keer weer is het een verrassing voor chef-sport Dick van den Polder wat de biljartman geschreven heeft. Er is in de hoofdstad ook maar één typograaf die het onleesbare handschrift van de 80-jarige Willem Zuurbier (gepensioneerd journalist van Het Vrije Volk) kan ontwarren. De kunst van een schrijfmachine is nooit aan hem besteed geweest.

VRIJ, ONVERVEERD

‘VRIJ, ONVERVEERD’ staat er in kapitale letters op de voorpagina onder de titel Het Rotterdams Parool. Die toevoeging dateert al uit de stenciltijd. Ergens op een geheim adres in Amsterdam rammelt in juli 1940 een ouwe Remington van de journalist Frans Goedhart en tegen alle Duitse naziwetten in verschijnt er een verboden gestencild krantje met politiek nieuws onder het pseudoniem Pieter ’t Hoen. Het tracé naar het latere Het Parool (in 1942) is daarmee gevlijd en er zullen zich binnen het verzet gedurende de oorlogsjaren talrijke bekende kopstukken bij Goedhart aansluiten. Ook Wim van Norden, de latere directeur van Het Parool.

Maar de meest aansprekende is Simon Carmiggelt, vooroorlogs verslaggever van Het Volk. Zijn columns (kronkels) in Het Parool gaan de geschiedenis in als de meest gelezen en gewaardeerde in de Nederlandse dagbladhistorie. Criticus Kees Fens beoordeelt ze zelfs als ‘verscheurend humoristisch’.

 

Dolle Dinsdag

Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) heeft het illegale Het Parool een oplage van 100.000 exemplaren bereikt. Kort na de bevrijding zelfs 324.000 en als Nederland zich hervonden heeft is Het Parool tot aan 1980 met 160.000 abonnees een stabiele factor in het printcircuit en wordt in de opbouwjaren van Nederland gedrukt door de Koninklijke Boekdrukkerij H.A.M. Roelants aan de Lange Haven in Schiedam. Dat is ook de reden dat Het Parool onder de titel De Schiedammer ogenschijnlijk als een eigen dagblad in die stad wordt bezorgd. Er is een historische band.

Het Parool heeft zelfs in de oorlogsjaren in Rotterdam al een eigen redactie met een eigen gestencild bulletin. Bovendien zijn er illegale koeriers, zodat het belangrijkste Rotterdamse nieuws de hoofdstad kan bereiken. We spoelen met een voorbeeld terug. Op vrijdag 16 februari 1945 (8 uur v.m.) meldt de hoofdvestiging van Het Parool in het uitgetikte Amsterdams Nieuwsbulletin (nummer 132) dat er in de havenstad veel vondelingen zijn. De letterlijke tekst luidt: ‘Naar Het Rotterdams-Parool-bulletin meldt, komt het in de Maasstad steeds meer voor dat wanhopige moeders, die hun kinderen niet meer te eten kunnen geven, hun baby’s te vondeling leggen.’

Walhalla

Kort na de oorlog beconcurreren de Rotterdamse kranten elkaar niet alleen in abonnees, maar gaan ze met elkaar op de vuist in de geschreven kolommen. Als de hoeren op Katendrecht in 1947 niet alleen meer thuis willen ontvangen maar op tournee gaan en zeer tegen de zin van het stadsbestuur de schepen bezoeken, waardoor men over de gebeurtenissen op het vrolijke schiereiland spreekt in termen van ’missstanden’, gaan burgemeester Oud, hoofdcommissaris Staal en commissaris Lems als hoofd van de zeden- en kinderpolitie wetenschap verzamelen. Ze bezoeken vijf dancings. De Walhalla is er één van. De andere vier dansgelegenheden worden door Het Vrije Volk benoemd als ’soortgelijke inrichtingen.’

’Hoge hoeden in het rosse leven’, kopt de rode krant. Maar Het Vrije Volk is in zijn wiek geschoten omdat blijkt dat de andere kranten de affaire bagatelliseren. En dan begint het. ‘Het Rotterdams Parool laat de heer Staal zeggen dat er niets verontrustend aan de hand was en bazelt over een uit het lood geslagen journalist van Het Vrije Volk, die de puritein speelde.’

‘Het Rotterdams Parool zwijgt over alles wat wij’’, zo meldt Het Vrije Volk, ‘over het gedoe op de schepen hebben gemeld. Het blad schrijft dat er altijd weer jonge, onbevlekte journalisten zullen opstaan die verbaasd toezien als zij het leven ener havenstad ontdekken. Zij zullen, als nu gebeurd is, in overdrijving vervallen.’

‘Mogen we even lachen?’, besluit Het Vrije Volk, dat nog geen half jaar later de zwakke verhoudingen nog eens aanscherpt door Het Rotterdams Parool een vlees-noch-vis-krant te noemen.

Militaire geheimen

Ook als de 20-jarige HRP-verslaggever Loek Elfferich in januari 1953 wordt gearresteerd omdat de verdenking op hem rust militaire geheimen te hebben gepubliceerd, wordt dit in Het Vrije Volk breed uitgemeten. Maar als er vrijspraak volgt, wordt volstaan met een verwaarloosbaar klein berichtje. Het is in de eerste tien jaar na de bevrijding in het gevecht om de gunst van de lezer water en vuur tussen Het Vrije Volk en het Rotterdams Parool.

Later zou die verhouding zich normaliseren. Als HRP-redacteur Johan Brautigam een boek heeft geschreven over de ontwikkeling van de Rotterdamse haven na de oorlog blijkt dit door de Arbeiderspers (familie van Het Vrije Volk) te worden uitgegeven en het eerste exemplaar zelfs in de hal van het moderne Het Vrije Volk-gebouw aan de Slaak te worden uitgereikt.

De directeur van Het Rotterdams Parool (Ton van Heusden) heeft geïntermedieerd. Hij is flamboyant, tot groot genoegen van HPR-sportredacteur Dick van den Polder sportminnend, grondlegger van Ahoy en zal tot aan de begin jaren tachtig éénmaal per jaar plaatselijk in het nieuws blijven als de Rotterdamse organisator van de intocht van Sinterklaas.

Van Heusden zetelt aanvankelijk met zijn Rotterdams Parool aan de Schiedamsesingel. Speldenprikkend in het vernieuwde stadsbeeld is dat ongeveer in de omgeving van het Oogziekenhuis. Maar bezuinigingen hebben reeds in de eind vijftiger jaren het aanzien van het dagblad afgekalfd. De huur is te hoog. Maar toch weet de statusgevoelige directeur met het winkelpandje aan de Westblaak, schuin tegenover Cinerama en pal achter het kolossale pand van Het Rotterdamsch Nieuwblad, de eer enigszins te herstellen.

Weliswaar spreekt redactiesecretaresse Petra de Landmeter in het latere HRP-boekje (2004) over een ’troosteloze ruimte’, terwijl ik het herinner als intiem, huiselijk, prestatie stimulerend en met een overweldigende directiekamer. Pal daaronder zat de legendarische ‘Meneer Van Veen’, die de declaraties uitbetaalde.

Declaraties

‘Wij declareerden allemaal te veel’, vertelt Jan Maneij. ‘Dat was journalisten eigen. En niemand uitgezonderd. Maar we hadden onder alle journalisten één algemeen afgesproken deal: we telden verkeerd op. Altijd scheelde het wel een paar dubbeltjes en bovendien in ons nadeel. En dan schudde meneer Van Veen elke keer, en dus gemiddeld twintig keer per week, zijn hoofd en riep: ‘Ze kunnen niet schrijven, maar niet tellen ook.’’

Het toeval wil dat ik in 1967 als leerling-journalist bij de Schiedamse editie van Het Parool begin. Een romantischer start bestaat niet. Ik reserveer het voor aflevering drie.

 

TEKST: JAN D. SWART

 

Meer nieuws