16-10-15

Wat was, wat werd

Rotterdam viert dit jaar 75 jaar wederopbouw. Friends in Business staat in 2015 in elke uitgave stil bij deze mijlpaal in de recente stadshistorie. Elke editie gebeurt dit vanuit andere invalshoeken. In deel 1 ging het over het bombardement, in deel 2 over de gevolgen. Nu belanden we in 1946, het eerste volledige jaar in vrijheid, en koersen we door naar het moment dat op Zuid de stoomtram wordt afgeschaft.

Het American Relief for Holland schenkt 50.000 pakken havermout aan de “ondersteunde armlastigen” in Rotterdam. Het allereerste printbericht uit 1946 (2 januari) is weliswaar een voetnoot in een opsomming van wat het weekblad Amigoe di Curaçao zijn voor de oorlog uitgeweken Rotterdamse lezers op de onbewolkte eilanden vertelt, maar het symboliseert na de capitulatie van de moffen wel de aanhoudende support van de Yanken bij de wederopbouw.

De teletijdmachine heeft in dat halve jaar na de bevrijding niet stil gestaan. De weer vrij publicerende kranten verspreiden de updates over de verrijzenis met een comfortabele geruststelling. Ook de jaarcijfers van de haven over 1945 worden met een strik versierd. Er zijn weer 1.338 schepen via de monding van de Waterweg en vanuit het Westfaalse achterland de stad binnen gevaren met een netto tonnenmaat van 2.068.000 en een inkomende lading van 3.214.000.

Achter de laatste nul staat in het rapport zelfs een uitroepteken.

1.198.000 ton stukgoed.

928.000 ton graan.

535.000 ton olie.

303.000 ton kolen.

40.000 ton hout.

210.000 ton salpeter-pyriet.

In de bijvangst van de cijfers staat zelfs een blijmoedig getalletje van de eerste export. Eigen schepen (56) vervoerden naar Scandinavië al weer 135.000 ton kolen uit, maar de rest blijft vooralsnog tot bloembollen en pulp beperkt.

Giftige haat

1946 wordt beheerst door een mix aan giftige haat jegens NSB’ers, het bruto nationale geluk over de verkregen vrijheid en het eerste kleinschalige herstel in de markteconomie. In relatie tot de detailhandel zijn de advertentiepagina’s in de kranten de ijkpunten. In retrospectief is dat een ontdekkingsreis door de tijd. De bekende stoomwasserij Borgh zoekt versneld nette meisjes, geschoold en ongeschoold. De brandstofpompen van Dynamo op diesel (niet meer nodig) worden massaal te koop aangeboden. Men wil radiotoestellen ruilen voor bontmantels. Hotel Het Witte Paard op Zuid, waar Feyenoord zijn gasten laat logeren, vraagt per direct twee “keukenwerkmeisjes” en bij mevrouw Musterd uit de chique Charlotte de Bourbonlaan (nummer 25c) kan zelfs een “flink dagmeisje” komen solliciteren. De boekhandel van de Arbeiderspers aan de Goudsesingel werft “flinken jongens” en een ouwe corpsbal die apotheker in Kralingen is geworden, wil gewoon “een knecht”. 

De ouderwetse krantenmarktplaats geeft een hotspot aan informatie die, meer dan de overheidsdossiers, precies aangeeft hoe ver Rotterdam in het eerste volledige jaar na de bevrijding nu werkelijk staat met zijn wederopbouw. In januari is vrijwel alles nog “op de bon”, maar de rantsoenbonnen voor de lijnolie zijn al niet meer geldig. Het is cijfer en kleur checken. Elke dag geeft de Rijksdienst voor Voedselvoorziening nieuwe instructies. De distributiekaart.

Te midden van de scheepvaartberichten laat L. Smit & Co’s internationale sleepdienst bedroefd weten dat zijn vloot voor 4 mei 1940 uit 21 schepen bestond, maar dat ten gevolge van “het oorlogsevenement” de Humber, de Rode Zee, de Witte Zee, de Inbus, de Oost Zee, de Noordzee, de Lauwerzee en de Java Zee zijn vernietigd en dat daarmee 16.800 pk verloren is gegaan. Met daarnaast in kader de triomfant van het dansinstituut J. Ottelé (Lommerrijk), dat zijn inschrijvingen heeft herstart. In het Nieuw Israëlitisch Weekblad neemt het bemiddelingsbureau Metropa via postbus 70 in Rotterdam zelfs een voorsprong van vijftig jaar op de huidige datingsites met de tekst: ‘Laat u nu reeds op jeugdigen leeftijd inschrijven – dan is U verzekerd van een werkelijk goed huwelijk. Wij beschikken over enorm veel relaties over het geheele land in goede en middenstandskringen van Uw eigen geloofsovertuiging. Laat u niet weerhouden door valsche schaamte of vooringenomenheid, doch schrijf heeden kosteloos in.’

Uithoek

“Rotterdams Coolsingel in gevaar”, kopt het godsdienstig-staatkundig dagblad De Tijd op vrijdag 4 januari 1946. De naamloze redacteur bidt een rozenkrans voor de enige echte Nederlandse boulevard, die hij tijdens de bezetting al heeft zien verramsjen met de komst van een nieuw koud bankgebouw. Ook de bijna voltooide bouw van de kolos waarin het Rotterdamsch Nieuwsblad wordt ondergebracht vindt hij een onwenselijke katheterisatie van de oude, oeroude grond. “Er zijn twee blinde oogen gebouwd”, en men leest dat hij verdere Duitse aantasting van het ooit verworven grondbezit wil voorkomen.

‘Vast staat dat tien van de dertien verdwenen bioscopen als bronnen van licht niet meer zullen terugkeren. Waar ooit de lichtreclames, de helle spiegelruiten en etalages het hart vormden van het openbare leven, lijkt de Coolsingel nu voorbestemd te zijn om een uithoek te worden. Men gaat westwaarts. Terwijl het nieuwe hart van de stad op de Coolsingel dient te kloppen als een modern, waarlijk centrum waar op zaterdagmiddag en zondag de burger met plezier vermeien gaat, waar ’s avonds de rosse schijn der booglampen, de schitterende gele, groene, roode lichtreclames de taal van de metropool behoren te spreken, zoals in den goeden ouden tijd. Burgers te Rotterdam, te wapen…’

Bijna zeventig jaar later blijkt in zijn vrees het onherroepelijke te zijn geslopen. In de realia van de wederopbouw is de Coolsingel totaal mislukt.

The ramblers

De invloed van de publieke opinie is klein in 1946, bijna verwaarloosbaar. Maar de gemiddelde burger heeft ook geen boodschap aan het beslissend mechanisme dat op het stadhuis in gang is gezet. Zijn zorgen omvatten de flinterdunheid van het weekgeld en de afweging of daarvan misschien na telling en hertelling een run op de eerste (bij de Rotterdamse Lloyd) gearriveerde vracht aan sinaasappelen uit Palestina kan worden ingezet. Als het vermaarde dansorkest The Ramblers optreedt in de Rivièrahal voor drie gulden per persoon is dat voor het gros muziekliefhebbers nog altijd veel te duur. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest geeft in de Koninginnekerk luisterlust voor nog geen gulden, maar zelfs dat is voor de bourgeoisie nog prijzig zat. For God’s sake, dan toch maar weer een goedkoop staanplaatsje bij Feyenoord, Sparta of Neptunus en op zaterdag hollen naar de visboer, omdat op bon 10 van de viskaart (kring 387) twee bokkingen verkrijgbaar zijn, zolang de voorraad strekt.

In de realia van de wederopbouw is de Coolsingel totaal mislukt

Toch doet het dagblad De Tijd een oproep aan het gemeentebestuur om de vox populi bij de wederopbouw te betrekken en komt de krant met voorbeelden van steden waar dit is gelukt. ‘Londen heeft zijn herbouwplannen uitvoerig gepropageerd. In het zwaar geteisterde Plymouth is de jeugd de straat opgegaan om voor goede sport- en spelgelegenheden te betogen. Die stad heeft de stadsplannen zelfs laten verfilmen. De Amerikaanse stad Toledo in Ohio wordt gesaneerd en er is 150.000 dollar uitgetrokken voor een reusachtige maquette. Elk gebouw, elk groot huizenblok staat erop weergegeven. In Rotterdam staat er slechts één in Museum Boymans, een kleintje.’ Het helpt weinig.

Na zes jaar afwezigheid keerde het ss Nieuw Amsterdam terug aan de Wilhelminakade. Fotografie: Collectie Gemeentearchief Rotterdam

‘Zelfs in 1946 was het allemaal nog veel te veel driedubbel op’, vertelde ooit de legendarische voetballer Faas Wilkes, die op 10 maart van dat jaar debuteert in Oranje uit tegen Luxemburg en meteen zijn geheim ontsluiert door vier van de zesmaal te scoren, waarna bij thuiskomst de Soetendaalseweg in Rotterdam Noord blijkt te zijn afgezet om hem te kunnen inhalen. ‘Je ouders waren alleen maar met hun eigen wederopbouw bezig en als je een paar centen over had genoot je van dingen die je vijf jaar niet had mogen doen. Het centrum was bovendien één onoverzichtelijke bende. Hier en daar een pand dat overeind was gebleven in een barbarij waarbij je je moest oriënteren waar dat vroeger was. Het kwam niet in de mensen op om zich er ook maar een halve dag druk over te maken. De enige berichten die in de kranten goed gelezen werden waren die van de Rotterdamse kamer van het Bijzonder Gerechtshof, want af en toe was er tegen verraders de doodstraf geëist.’

Ooglijdersziekenhuis

Het tempo waarmee ondertussen gebouwd wordt, is indrukwekkend. Het ooglijdersziekenhuis (voorheen Nadorststraat) herrijst aan de Schiedamsesingel en zal gewoon oogziekenhuis gaan heten. In september staat de oplevering van de schouwburg ingepland en er vordert een nieuwe Machinistenschool. Ook de opruimingswerkzaamheden in de Rijn- en Maashaven gaan van start. Eindelijk is de grootste Nederlandse hijskraan beschikbaar. In een havenveem zijn inmiddels drie complete ziekenhuisinrichtingen opgeslagen, die nog tijdens de oorlog door de regering in Londen in Amerika zijn aangekocht. Jarenlang is er een capaciteitstekort omdat er tijdens het bombardement vier ziekenhuizen met de grond gelijk zijn gemaakt, maar er komen er nu duizend ziekbedden bij. Met zekere trots meldt het gemeentebestuur dat de complete uitrusting medische, sanitaire, huishoudelijke en administratieve benodigdheden bevat, “van een locomobiel tot units met ragebollen”.

'De vijand is verdreven, maar de nieuwe vijand heeft een staatsbaan'

Er is sinds de eerste dagen van de wederopbouw, die eigenlijk al kort na het bombardement begint, tot aan 1 januari 1946 32 miljoen gulden aan bouwwerken uitbesteed. De stadstrams vervoeren weer 300.000 mensen per dag en de dienst Volkshuisvesting heeft voor 1946 nog vijfduizend woningen op zijn afbouwprogramma staan. De inmiddels in functie herstelde burgemeester mr. Pieter Oud benoemt tijdens zijn nieuwjaarsboodschap (bij burgerslachtoffers in ronde cijfers, omdat er nog altijd vermisten zijn) de treurige essentialia van vijf jaar oorlog: negenhonderd doden en 7.700 daklozen. Er is een gebied verwoest van 258 hectaren. Er zijn elfduizend bedrijfspanden, 24.001 woningen en 1.212 fabrieken en werkplaatsen weggevaagd. Ook nog eens 2.393 winkels, 566 cafés en hotels, 21 kerkgebouwen, vier ziekenhuizen, twintig bankgebouwen, 69 scholen, twee schouwburgen en zes vergaderzalen. Zijn tijdelijke oorlogsvervanger F. E. Müller, zwaar NSB, hoort niet veel later tien jaar gevangenisstraf tegen zich eisen.

Rotterdam telt op 31 december 1945 in totaal 615.828 inwoners en met dank aan de natuur precies de helft mannen en de helft vrouwen. Maar het is sinds 10 mei 1940 wel een afname, waaraan niet alleen het bombardement en de nazitransporten hebben bijgedragen, maar ook de toename van sterfte gedurende de hongerwinter als gevolg van voedseltekort en tuberculose. Maar dan begint eind maart 1946 de babyboom. In de zomer na de bevrijding ging de bevruchting los in een roes van feest, halfgare lampionnen, zakloopwedstrijden en Canadese seksorgieën. Ook mijn eigen vader nam thuis de trampolinesprong en zodoende aanschouwde ik op vrijdag 29 maart 1946 het levenslicht in destijds de grootste kraamfabriek van Rotterdam aan de Henegouwerlaan als onderdeel van de wederopbouw. Het Vrije Volk meldt die dag op zijn voorpagina dat wie in het bezit is van een petroleumkaart voor kookdoeleinden voor de volgende maand vier liter kan kopen op de bonnen 29 tot en met 32 op de kaart UA 510.

Ook valt mijn geboorte droevig samen met een zware waarschuwing uit de pen van Klaas Voskuil, de hoofdredacteur van datzelfde socialistische dagblad, wiens verslaggevers ontdekt hebben dat er in overheidskringen en verenigingen grootschalig gerotzooid wordt bij de verdeling van die rantsoenbonnen en bij hulp aan zieken. De vijand is verdreven, maar de nieuwe vijand heeft een staatsbaan. ‘We hebben al meermalen de wens uitgesproken dat ambtenaren die het met de eerlijkheid niet zo nauw nemen, te vinden, te straffen en te verwijderen’, schrijft hij. ‘Corruptie, en vriendjesbevoorrechting en zwendel in particuliere kring moet stevig worden aangepakt zonder aanziens des persoons. Alleen als een ernstig zieke slechts kan genezen door een diepgaande operatie moet die operatie ondernomen worden. Waar de zwendel zich ook mag hebben genesteld, bij overheidsambtenaren, bij particuliere wereldconcerns, of hulporganisaties, als giftige plant welks wortels nog steken in nationaalsocialistische bodem, nergens mag die nog veilig zijn.’

En dan vallen de namen. Er is in de havenstad gefraudeerd bij H.A.R.K. (Hulp-Actie-Rode-Kruis), waar functionarissen goederen, die bestemd waren voor getroffen gebieden, hebben aangewend voor “eigen nutte”. De Stichting Kindertehuizen is opgelicht door een hoofdadministrateur voor 1.700 kilo aan vleesrantsoenen, 300.000 broodbonnen en tienduizend liter melk. En landelijk is de chaos nog honderd keer zo erg.

Gelukkig zijn er die dag ook betere berichten. Drie van de vijf beursklokken zijn teruggevonden en zullen binnenkort weer bimbambeieren. De Rijkstelefoon te Rotterdam heeft rechtstreekse verbinding met Londen. Er hoeft zodoende geen gesprek meer via Amsterdam te worden aangevraagd en de firma Klaren aan de Oudedijk 171 geeft de verzekering dat zij het herstel aan “ondergoederen” vanaf nu in tien dagen tijd kan fixen. Telefoon: 22733. Vijf cijfers. 

Tot ongeveer 1960 zullen het er vijf blijven. 010 hoeft er nog niet voor.

De Rotterdamse binnenstad in 1953. Fotografie: Collectie Gemeentearchief Rotterdam

Achtergesteld

Er komt ook buiten het centrum van Rotterdam schot in de restauratie van het geschonden imago. De regering wordt vanuit het stadhuis aan de Coolsingel onder druk gezet om toestemming te verlenen voor de bouw van een nieuwe luchthaven. Rotterdam zegt er recht op te hebben omdat de stad al in 1920 met de ingebruikneming van het (tijdens het bombardement vernielde) vliegveld Waalhaven meer vluchten kon verstouwen dan het destijds – voor het militaire luchtdoeleinden – ingerichte Schiphol.

'Een deel van ons volk moet het aandurven zijn toekomst te zoeken in grotere gebieden dan eigen land' 

‘Rotterdam voelt zich achtergesteld, want de regering zwijgt’, schrijft De Tijd. ‘Er is voorgesteld om de polder Schieveen te onteigenen, maar er komt geen antwoord. Het is griezelig stil.’

Dat is het niet als op 10 april 1946 na zes jaar afwezigheid het ss. Nieuw Amsterdam, het vlaggenschip van de Holland Amerika, als een grijze klomp afmeert aan de Wilhelminakade. Rotterdam is ervoor uitgelopen en Nederland is op slag 3.598 repatrianten en 700 Engelse soldaten rijker. ‘Het scherm gaat op’, zegt ir. Cornelis van Traa, de directeur van Stadsontwikkeling, op 10 april 1946 als na zes jaar geheimschrijverij en elitair gebakkelei rond de theetuin van de Van Nelle-fabriek, het plan tot wederopbouw van de stad vanuit de benauwende ambtelijke schemer in het licht van de openbaarheid wordt gebracht. ‘Moge de confrontatie met de volksgemeenschap tot resultaat hebben, dat het plan tot een levend element van onze gedachten wordt en dat er vruchtdragende discussies ontstaat.’

Het wordt een niet te snappen historische presentatie, waarin de architecten als tycoons willen uitblinken omdat het oog van de wereld op Rotterdam gericht is. Wat de luisterende journalisten ervan begrijpen is dat er een krachtig contrast zal gaan ontstaan tussen de wijdheid van de Maas en het beeld van het “hoogopgaande gerhythmeerde rivierfront”. Het open Leuvenhavenbekken zal een duidelijke tegenstelling vormen met het gesloten karakter van de omringende bebouwde stadsdelen, er zullen verschillen komen tussen de brede verkeersbanen en gesloten winkelstraten, tussen binnenhoven en andere open stadsruimten die niet voor het verkeerd bestemd zijn.

Dat is het plan. Abracadabra. Niemand die het begrijpt, maar als in 1949 met de aanleg van de Lijnbaan begonnen wordt en de eerste contouren in 1953 door de werkelijkheid zijn ingehaald, valt het kwartje. Het is de eerste autovrije winkelpromenade ter wereld. ‘Na verloop van jaren zijn de huren van de winkels alleen niet meer te betalen’, zou Faas Wilkes no-nonsens zeggen. Hij heeft er jarenlang een modezaak.

Wel worden op de gedenkwaardige dag de verschillen in kaart gebracht. Niet alle verwoeste woningen in het centrum (24.978; 977 méér dan bij de nieuwjaarsrede van burgemeester Pieter J. Oud) keren terug. Het worden er aanzienlijk minder, men gaat inderdaad meer westwaarts bouwen. Het oude winkelfront ter lengte van 22,5 kilometer wordt zeventien kilometer, plus dertien kilometer met gemengde bebouwing. De bedrijfsruimten worden ingekort. Een tiende gaat naar de Spaansepolder. Er komen minder bioscopen, maar de nieuwe krijgen meer capaciteit. Dat geldt ook voor de hotels en van de 24 kerken zullen er negentien herverschijnen. Welk geloof de dupe wordt staat er niet bij.

We spoelen terug.

Op 14 mei 1940 staat Rotterdam in lichterlaaie en zes dagen later krijgt Willem Gerrit Witteveen, een ambtelijk routinier, ontwerper van het Maas Station, inrichter van het fameuze 46 hectaren grote land van Hoboken waar hij voor de oorlog het Museum Boijmans, het GEB-gebouw en de residentie van Unilever heeft laten verrijzen, de opdracht om de nieuwe stad te tekenen. Nog geen vijf dagen later worden de eerste macrocontouren van zijn denkmaquette al globaal gepubliceerd. Het is een stad, die uit zijn tekenhand (godzijdank) een beetje op de oude lijkt. Wel iets moderner, maar onverminderd warm. Een sierlijk hersteld oud bruggetje, hier en daar een replica van een oud gebouw, desnoods toch nog een smal onmogelijk straatje met een stinkend grachtje, Witteveen heeft in elk geval meer smaak dan de vuistenballende zakenelite die een strakke Amerikaanse stad wenst te zien, waar het verkeer geen enkele hindernis meer mag ondervinden.

Uiteindelijk krijgt Witteveen letterlijk en figuurlijk een schop onder zijn kont en schikt zijn opvolger Van Traa zich volledig naar de eisen van Cees van der Leeuw, de directeur van de koffiefabrikant van Nelle, Guus Plate van Scheepvaart Vereniging Zuid en zijn neef Karel van der Mandele, de man van de Rotterdamsche Bank; de drie golden boys met een tiet aan geld, macht en invloed, maar wier testimonium paupertatis op het gebied van stadssmaak, cultuur, erfgoed, historie (give it a name) uiteindelijk leidt tot het centrum van Rotterdam zoals dat er nu rond de Coolsingel, de Meent, de Blaak en het Hofplein uitziet. Winderig, ongezellig, maar als u het mooi vindt, akkoord.

In april 1946 heeft Cornelis van Traa dus wel wat uit te leggen. Het lukt hem alleen bij de hoogwaterkering. Vijf jaar studie heeft aangetoond dat de oorspronkelijke dijk (Oostzeedijk, Hoogstraat, Korte Hoogstraat, Schiedamsedijk en Westzeedijk) het grote stadsdeel onverantwoord onbeschermd liet. Het lag gemiddeld 3,5 meter te laag “en we verwachten veelvuldiger en hogere vloeden”.

Wat dat betreft krijgt hij in februari 1953 gelijk.

Het ophogen van het lange dijklichaam zag men niet als een optie. ‘Een hoge rug is niet fraai.’ Wel als die verhoging zou worden weggewerkt in een lange wandelpromenade met een flink voorportaal als kade. Dat wordt uiteindelijk de Maasboulevard.

Maar waarom achter het uiteindelijk 5,5 meter verhoogde tracé het nog mondjesmaat resterende historische stadsschoon moet worden gesloopt en het Witteveenachtige combiplan (een ruim Hofplein, een brede Coolsingel, maar oude huizentypes) met het waswater is weggespoeld, daar gaat Van Traa die dag breedsprakig aan voorbij. Globaal komt het erop neer dat de stad aan de auto wordt prijsgegeven en dat het bombardement in één klap een einde heeft gemaakt aan de verkrotting in de oude stadsdriehoek, die in de jaren dertig al een doorn in het oog was van alle stadsontwikkelaars. In 1932 circuleert er al een drastisch saneringsplan. Alleen dan ontbreekt het geld.

'Als je een paar centen over had genoot je van dingen die je vijf jaar niet had mogen doen'

‘Het is een levend plan in een levende stad, die zich ontwikkelt naar de mogelijkheden, levend moet zijn in de burgerij, zo goed als in de wereld’, oreert Van Traa. ‘Niemand heeft kunnen voorzien dat de oorlog zo lang zou duren en dat dit ingrijpende veranderingen zou veroorzaken, ook in de menselijke geest, die zich langzaam heeft losgemaakt van al ’t oude, vertrouwde en zich zoekend, maar meer en meer doelbewust, nu richt op vernieuwing.’

De naam Witteveen valt niet eens. Het nieuwe Stadsplan Rotterdam met in kleurendruk “uitgevoerden plattegrond” is voor 2 gulden “in den boekhandels” te koop.

1.700 kilometer heipalen

Het Vrije Volk somt op wat er tussen die 10e mei 1940 “toen bij een strakblauwe hemel en koesterend zonlicht de grijsgrauwe vogels des doods kwamen aanvliegen” en nu, 10 april 1946, allemaal al aan werk is verricht. Er is vijf miljoen kubieke meter puin geruimd. Dat kostte bij elkaar 46 miljoen gulden (vier maanden ervoor stond de teller nog op 32). Er is 50.000 ton ijzer uit de vernielde woningen gehaald. Er werd 1.700 kilometer heipalen uit de grond getrokken; een afstand van hier tot aan de hiel van Italië. De uitgevoerde waterbouwkundige werken hebben zes miljoen gulden gekost. De nieuw aangelegde straten twee. In het centrum van de stad is 168 hectaren grond onteigend. In de Spaansepolder 628. Er zijn tweeduizend noodwoningen gebouwd en inmiddels aan de Goudsesingel 31817 permanente.

Om inzicht te krijgen in de hoogte van de uitbetaalde weeksalarissen van de gemiddelde hardwerkende Rotterdammer in dopbouwjaren, zien we in 1950 in elk geval wat hij betaalt. Bij het warenhuis H. Martens & Co aan de Statenweg kost een echte brandweer- en politiebretel 2,98 (gulden) en een interlock-hemdje 56 cent. Maar chique maisleren handgestikte herenhandschoenen in de uitverkoop inmiddels al 8,98. Normaal zelfs vijftien gulden, hoewel je dat toen al met een korreltje zout moest nemen. Voor de beroemde grote maten corsetten van effen stof met zijsluiting en veter, waarvan de tegenwoordige jeugd geen idee heeft welke dienst die deden, betalen forse dames bij De Bijenkorf 9,98. In 1946 kunnen voor dat bedrag drie personen naar een avondje van The Ramblers en dan is er nog een gulden over voor consumptievertier.

Er zijn meer prijzen, aanbiedingen en vacatures die fascineren en bewijzen dat er niet alleen sprake is van een stenen wederopbouw. De suikerwerkfabriek Jamin in Crooswijk schreeuwt om meisjes. Voetbalscheidsrechter Dirk Nijs werkt er ook en zou later zeggen: ‘Je hoefde er niet perse een adonis te zijn, er waren er daar duizend en altijd wel een paar die je leuk vonden.’

Achter Jamin, in de oude polder Rubroek, is de veemarkt en vandaar op loonafstand het abattoir. De prijs per kilo voor een vette koe is gemiddeld twee gulden. Een graskalverkilo kost twintig cent meer en één kilo slachtpaard 1,25. Dierenactiviste Marianne Thieme kan met terugwerkende kracht de herinneringsfilmpjes op YouTube maar beter mijden. Er hing een rare mystiek over die wijk, vooral door die enorme begraafplaats en die dagelijkse lijkstoeten over de Crooswijkseweg, en als het welgestelde dooien waren ook nog eens met zes paarden er voor. ‘Als kind kind draaide je maag om als je die beesten het abattoir naar binnen zag gaan, hun einde tegemoet. Daar is wat afgemoord', vertelt de jazz-zangeres Rita Reys in het boek Kanjers, Culthelden & Engnekken.

Het zal de reislustige Prins Bernhard worst zijn, want op de dag van de nieuwe kiloprijzen (2 januari 1950) komt hij met eigen ogen zien dat de haven van Rotterdam sneller voltooid is dan de stad. Een uurtje later gaat hij heerlijk varen met een smaldeel, dat op de West aankoerst. Een van zijn vele vrijgezellenreisjes. Hij scheept in op de Parkkade en het vliegdekschip Karel Doorman brengt hem naar zee. Wat de bedoeling van de trip is, meldt niet één krant. Maar waarschijnlijk is die bedoeling er ook niet.

In 1949 zijn inmiddels 11.448 binnengevaren schepen geregistreerd, terwijl de tonnage (21 miljoen) alweer vijf miljoen hoger is dan in 1948. De groei is merkbaar.

In de voetbalwereld ook, want daar komt het eerste zwarte geld als een tapijt op de handpalm te rusten. Sparta in het nauw, koopt Landman en Terlouw. Zelfs het RN verhult niet dat er in sommige branches inmiddels weer dik verdiend wordt. De heren van Het Kasteel hebben in 1949 een beroerd seizoen afgesloten en danken de continuering van het eersteklasseschap aan één doelpunt van hun rechterschicht Tonny van Ede. En om een herhaling van die malaise te voorkomen laat de Crooswijkse sokkenhandelaar Jaap Vollebregt met twee briefjes van duizend zijn eerste welvaart zien.

De Lijnbaan is in 1953 de eerste autovrije winkelpromenade ter wereld. Fotografie: Joh. van Bueren

Tranendal

Duizenden Nederlanders wachten die welvaart niet af en vertrekken in dat jaar als eersten naar Australië en Canada. Woningnood, sombere economische toekomstperspectieven en angst voor een derde wereldoorlog zijn de belangrijkste motieven, die aan de exodus ten grondslag liggen. Het wordt jarenlang daarna één groot repeterend tranendal aan de Wilhelminakade bij het vertrek van de Holland Amerika Lijnschepen, maar premier Willem Drees heeft het met de oprichting van de Stichting Landverhuizing Nederland zelf geënthousiasmeerd. In zijn nieuwjaarstoespraak van 1950 zegt hij: ‘Een deel van ons volk moet het aandurven zijn toekomst te zoeken in grotere gebieden dan eigen land.’ Hij laat het koningin Juliana in haar latere troonrede herhalen: ‘De snelle bevolkingsgroei en de beperkte oppervlakte van onze beschikbare grond vereisen een krachtdadige bevordering van de emigratie.’

In totaal zullen er tussen 1947 en 1963 ongeveer 410.000 Nederlanders, eerst met de Sibajak, de Veendam en de Volendam, later door de lucht, zich onttrekken aan de wederopbouw van hun eigen land: 147.000 naar Canada, 119.000 naar Australië, 76.000 naar de Verenigde Staten, terwijl nog eens 68.000 emigranten zich verspreiden over Zuid-Afrika, Nieuw Zeeland en Brazilië. Het merendeel tussen 1953 en 1957, precies in het tijdsbeeld waarin de Rotterdamse Tram Maatschappij afscheid neemt van wat bij een moderner geworden stad niet meer past: de stoomtram. In Rotterdam-Noord noemen ze ‘m “de bullebak van Zuid” en in Zuid zelf “de moordenaar”.

Het is het gammele, veel ongelukken veroorzakende Rosestraat-treintje dat de cabaretier Gerard Cox in zijn kinderjaren naar zijn chansonstrand brengt, Rockanje. Reistijd: lang. Prijs: goedkoop. Garantie: tot aan de deur. Zelf spoor ik er jarenlang mee de Hoeksche Waard in, tot aan het rechtereindpunt, Goudswaard. Ik heb er mijn overgrootouders wonen, in 1957 zelfs nog heel even het oudste echtpaar van Nederland, zeventig jaar getrouwd. Hij was veldwachter. Eén stroper kon hij nooit vinden. Dat was ie zelf.

Goudswaard en Piershil zijn anno 2015 de veiligste dorpen van Nederland. Er kan namelijk geen crimineel ontvluchten, omdat er aan drie kanten water is. Daarheen reed die stroomtram, met een overstapplek aan de Blaaksedijk. Het kan geen toeval zijn dat Gerard Cox daar dicht in de buurt is gaan wonen. Het geluid van de stoomfluit echoot er nog steeds. Het is het geluid uit de opbouwtijd toen armoedig geluk nog heel gewoon was.

Tekst: Jan D. Swart

Meer nieuws